Werfsignalisatie regelgeving
- Startpagina
- Mobiliteit
- Werfsignalisatie regelgeving
TOELATING VOOR HET PLAATSEN VAN VERKEERSSIGNALISATIE BIJ WERKEN EN BELEMMERINGEN OP DE OPENBARE WEG – BIJKOMENDE INFORMATIE
GELDENDE REGELGEVING
1. Wet 16.03.1968: Gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer.
2. KB 01.12.1975: Algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg, inzonderheid Titel III – Hoofdstuk 2 – Verkeersborden – en Artikel 78 – Signaleren van werken en verkeersbelemmeringen.
3. MB 11.10.1976: Ministerieel besluit houdende de minimum afmetingen en bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens.
4. MB 07.05.1999: Ministerieel besluit betreffende het signaleren van werken en verkeersbelemmeringen op de openbare weg.
5. Algemeen: Standaardbestek 250 voor de wegenbouw – versie 4.1., inzonderheid Hoofdstuk – Signalisatie van werken.
en latere wijzigingen met inwerkingtreding tot op heden.
VOORWAARDEN VOOR HET PLAATSEN VAN WERFSIGNALISATIE
1. De (hoofd-) aannemer draagt de verantwoordelijkheid voor de signalisatie van zijn werken en van de veroorzaakte verkeershinder. Hij is zowel tegenover het openbaar bestuur als tegenover derden aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van het plaatsen en het bestaan van de borden.
2. De mobiliteitsdienst van de stad Lokeren dient van het plaatsen van de signalisatie op de hoogte gebracht te worden door de aannemer, zodat de opstelling kan nagezien worden. Na evaluatie en bij noodzaak kan de mobiliteitsdienst of de lokale politie de aannemer te allen tijde verplichten bijkomende signalisatie te plaatsen of signalisatie te wijzigen. In het kader van het algemeen belang, de openbare orde en veiligheid kan in opdracht van de mobiliteitsdienst en/of de lokale politie van de bepalingen in deze vergunning worden afgeweken.
3. Naam en telefoonnummer van de door de aannemer aangestelde verantwoordelijke voor de werfsignalisatie moeten aan de mobiliteitsdienst worden overgemaakt, zodat de betrokkene kan gecontacteerd worden voor dringend noodzakelijke herstellingen, onderhouds- en aanpassingswerken.
4. De door de aannemer aangestelde verantwoordelijke voor de signalisatie dient op bepaalde tijdstippen de geplaatste signalisatie na te kijken op hun juiste plaatsing en voldoende aandacht te besteden aan de goede werking van de aangebrachte verlichting.
5. Iedere opstelling, verwijdering of wijziging kan slechts gebeuren na overleg en advies van de mobiliteitsdienst.
ALGEMENE BEPALINGEN WERFSIGNALISATIE
1. Het signaleren van werken op de openbare weg valt ten laste van diegene die de werken uitvoert.
2. Wanneer verkeersborden betreffende de voorrang, verbodsborden, gebodsborden, verkeersborden betreffende het stilstaan en parkeren of voorlopige markeringen die de rijstroken aanduiden moeten worden aangebracht, mag deze signalisatie slechts worden aangebracht op voorwaarde dat daartoe toelating is gegeven. De toelating bepaalt in elk geval de verkeerstekens die zullen worden gebruikt.
3. Ter verzekering van de veiligheid van het verkeer kunnen in deze toelating aanvullende verkeerstekens bij het MB van 07.05.1999 betreffende het signaleren van werken op de openbare weg worden voorzien.
4. De verkeerstekens moeten met de meeste zorg worden aangebracht en tijdens de volledige duur van de werken zuiver en in orde worden gehouden, zodanig dat zij voor de weggebruikers duidelijk zichtbaar en identificeerbaar blijven.
5. Het werk mag slechts beginnen wanneer de signalisatie is aangebracht.
6. De verkeerstekens moeten weggenomen worden door diegene die de werken uitvoert zodra deze zijn beëindigd. Dit geldt eveneens voor het signalisatiemateriaal en voor de borden waarop de naam en telefoonnummer van de verantwoordelijke voor de werfsignalisatie is weergegeven. Daarenboven dient de signalisatie betreffende de wegomlegging te worden verwijderd.
7. Alle verkeersborden en bijkomende signalisatie moeten van het lichtweerkaatsende type of van een type met eigen verlichting zijn.
8. De bepalingen betreffende de afmetingen en de plaatsing van de verkeerstekens en onderborden, voorzien in het MB van 11.10.76 en de latere wijzigingen, waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, zijn van toepassing.
9. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 m dient de werfsignalisatie afdoende te worden verlicht. Bij helder weer moet de verlichting de signalisatie zichtbaar maken op ten minste 150 m. Wanneer verlichting is voorzien om het werk of om een hindernis te signaleren of af te bakenen, mogen de witte of geelachtige lampen vervangen worden door oranjegele knipperlichten. De lichten mogen onafhankelijk, gelijktijdig of opeenvolgend knipperen.
10. Buiten de werkuren (in het bijzonder ’s avonds) tijdens de weekends en telkens als het werk voor een bepaalde tijd wordt onderbroken, dient de signalisatie die niet nodig is van de rijbaan verwijderd of aan het zicht onttrokken worden. Ook dient de nodige aandacht besteed te worden aan de verlichting van de blijvende signalisatie.
11. Van zodra de feitelijke toestand niet meer overeenstemt met deze aangegeven door de signalisatie, dient het gedeelte van deze signalisatie dat niet meer in overeenstemming is, hieraan aangepast te worden.
12. Er moet steeds worden nagegaan of de tijdelijke signalisatie, aan te brengen ingevolge de werken, niet in strijd is met de vaste verkeerssignalisatie. In voorkomend geval moet deze laatste hetzij aangepast, hetzij voor de duur van de werken aan het zicht onttrokken worden.
13. De signalisatie op afstand wordt in beginsel slechts aangebracht op de openbare weg waar het werk wordt uitgevoerd. Wanneer de plaatsgesteldheid het rechtvaardigt mag zij eveneens op andere wegen aangebracht worden.
14. Behoudens uitzonderlijke gevallen mogen geen andere snelheidsbeperkingen worden opgelegd dan deze voorzien in het MB van 07.05.1999 betreffende het signaleren van werken op de openbare weg.
15. In de omgeving en langsheen de werken, dient de rijbaan, in de mate van het mogelijke zuiver te worden gehouden. In het bijzonder dient, op plaatsen waar vrachtwagens en andere voertuigen de werf verlaten, de op de rijbaan aanwezige aarde en/of modder regelmatig te worden verwijderd.
16. Deze maatregelen zijn noodzakelijk, gezien de werken een gevaar vormen voor het normale verkeer en de op de weg arbeidende werklieden aan een voortdurend gevaar worden blootgesteld.
17. De signalisatievergunning moet te allen tijde, op eenvoudig verzoek van een bevoegd persoon, voorgelegd kunnen worden.